Een impressie van Lima door Jelle Mampaey
Het huis stond midden in de stad, op een zacht glooiende heuvel. Het enige raam was gericht op de eerste zonnestralen. Elke ochtend opnieuw probeerde de schrijver die eerste zonnestralen te vangen tussen de vier muren. Steeds weer ontsnapten ze hem. Zweefden ze weg. Hij zat vast in de grijze, besloten stad, ver weg van het helle licht van de zon. Roet, rook, steen. Geen klimop mocht groeien in de verborgen holtes van het dakgebinte. Overal waar iets natuurlijks dreigde door te breken, werd het meedogenloos in de kiem gesmoord. Zelfs stront werd opgeruimd. Alleen steen mocht groeien, alleen rook mocht weelderig bloeien. Smog. Rook overal, zoekt zijn weg tussen stenen. Schaduw zwerft doorheen de straten. Rook en steen, daar was de stad van gemaakt. De lichtvoetige rook krioelde tussen de stijve stenen, als een reiziger doorheen de straten. De mensen kropen. Mensen als insecten, nauwelijk opgemerkt in de schaduw. Hen behoort de stad niet toe. Zij proberen zonnestralen te vangen, hun leven lang, maar stikken in de rook die hen omringt. Vertrappeld door de stenen van de stad. Nooit zullen ze uitkijken boven de gebouwen die hen omsingelen, nooit zullen ze lichtvoetig als rook reizen doorheen de straten. Gedoemd om vertrappeld te worden door hun eigen constructies.
Hij was pizzakoerier. Drie margherita's en een gedrocht met bananen moest hij afleveren. Zijn brommertje vertrok als een lama op speed en ging plat in elke bocht. Als een wild beest bereed hij haar, als een lammetje gehoorzaamde zij de kleinste beweging van zijn vingertoppen. Hij remde net op tijd achter een groot uitgevallen driewieler, schoot naar rechts, ontweek een bejaarde bus en dook ijlings tussen twee wagens. Een vis in het water van de straten. De stad was zijn domein. Voor hem waren de bewegingen van de verkeersstroom als een logaritme voor een wiskundige. Hij wist perfect waar hij onder water dook en waar hij weer boven zou komen. Hij was niet speels. Het was hem ernstig. Trefzeker baande hij zich een weg. De overvolle avenida's boden hem zeeën van ruimte, in de weinige smalle straatjes wierp hij zich met doodsverachting om er enkele seconden later aan de andere kant weer uitgekatapulteerd te worden. Hij was een God die met ijle tred door de straten zweefde. Een roofdier te midden van een horde weerloze prooien. Hij was gefocust op zijn doel, elke hindernis was een stofje op zijn weg.
De schrijver stak voorzichtig de straat over, liet een pizzakoerier op een luidruchtig brommertje voorgaan en beklom moeizaam de andere oever van de straat.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten